Vrije schoolonderwijs
Het onderwijs op Vrije scholen is gebaseerd op een door dr. Rudolf Steiner (1861-1925), grondlegger van de antroposofische geesteswetenschap, ontwikkelde pedagogie.
Vrije scholen worden gezien als scholen waar een bepaalde pedagogisch-didactische aanpak wordt gehanteerd, waarvoor men kan kiezen ongeacht geloofs- of maatschappij-overtuiging.
Ouders hoeven dus niet de antroposofische beginselen aan te hangen om hun kind op een Vrije school geplaatst te krijgen.
De Vrije school wil een algemeen menselijke vorming geven en kan dus kinderen met verschillende achtergronden opnemen. Antroposofie wordt niet onderwezen op de Vrije school. Als levensbeschouwing is het slechts middel en voedingsbodem voor het werk van de leraar.
Uitgangspunten
In de ontwikkeling van het kind zijn drie grote fasen te onderscheiden:
1. Van de geboorte tot de tandenwisseling (7 jaar)
Het kind richt in deze periode zijn/haar activiteit op de bouw van het lichaam. De eerste schooljaren moeten staan in het teken van spel en fantasie, omdat een te vroeg aanleren van abstracte geheugenstof te veel van de opbouwende krachten aan het lichaam onttrekt.
2. Van de tandenwisseling tot de puberteit (van 7 tot 14 jaar)
Na het zevende jaar is het kind in staat te denken en zich intellectueel te ontwikkelen. In de puberteit (vanaf het 12e jaar) is het onderwijs van de Vrije scholen erop gericht dat de kinderen zich veelzijdig ontplooien. Om een veelzijdige ontwikkeling te waarborgen ziet men jongens borduren en meisjes werken met hamer en beitel. 3. Van de puberteit tot de volwassenheid (van 14 tot 21 jaar)
In de deze fase begint het vermogen tot abstractie, het logisch nadenken en zelfstandig oordelen te ontstaan.
Structuur van het onderwijs
De Vrije school kent de volgende onderwijsstructuur: Basis- en voortgezet onderwijs zijn één geheel. Het leerplan is een totaliteit en houdt rekening met de reeds genoemde drie ontwikkelingsfasen van het kind. De leerstof beantwoordt aan deze ontwikkelingsfasen. Iedere klas is een eenheid, die zolang mogelijk blijft bestaan. Kinderen blijven niet zitten. Men werkt met groepen van verschillende samenstelling. Er is samenwerking tussen intelligente en minder intelligente leerlingen, tussen leerlingen die meer kunstzinnig of praktisch begaafd zijn en die dit minder zijn. Dit werkt de sociale vorming in de hand. Voor de periode, na de kleuterafdeling, van 12 klassen geldt de indeling van periode- en vakonderwijs. Periode-onderwijs houdt in, dat gedurende een bepaalde periode een aantal vakken wordt gegeven. Daardoor wordt het mogelijk een afgerond geheel te behandelen. Het vakonderwijs behelst die vakken, waarvoor een constante en regelmatige oefening nodig is, bijvoorbeeld de vreemde talen. Vanaf het 11e leerjaar wordt een splitsing ingevoerd in sommige vaklessen voor die leerlingen die een 13e leerjaar willen volgen, waarin de leerlingen worden voorbereid op het staatsexamen atheneum of havo. Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor een opleiding op vmbo-niveau of een meer kunstzinnig praktische opleiding.




